Geef of neem een proefabonnement

Werkpaard van de Zuiderzee

Het Waterschip als manusje van alles

Dit artikel is gepubliceerd in
Ze transporteerden zoetwater naar brouwerijen en zoutwater naar zoutziederijen, ze sleepten scheepshollen (casco’s), scheepskamelen en houtvlotten. Of ze functioneerden ‘gewoon’ als visserman; waterschepen vond je overal en als scheepswrak zijn er tientallen opgegraven in Flevoland.

Wrak ZO31 is mogelijk het oudst bekende waterschip van de Zuiderzee en dateert van het eerste kwart van de zestiende eeuw. Maar twee eeuwen eerder – in 1339 – werd er al gesproken van: ‘enen waterschepe met levenden visschen’. ZO31, nu middelpunt van een expositie in Het Scheepvaartmuseum, was overnaads gebouwd. Een generatie later ging men over tot gladboordige bouw. Het waterschip voer toen nog zonder zijzwaarden, maar met een scherp gepiekt achterschip met een fikse scheg en een voorsteven van loefbijter proporties kon het aan de wind zeilen. Waterschepen waren 16 tot 31m lang en 5 tot 6,50 m breed en voorzien van een bun. Karakteristiek was de overnaadse, gebolde opbouw, verder waren er ook nog een achter- en een vooronder.

Water voor bier
Brouwerijen hadden voor het maken van volksdrank nummer één, bier, schoon zoetwater nodig. In bierstad Haarlem liepen in de vijftiende en de zestiende eeuw waterschepen van de hellingen. In een verslag uit Middelburg leren we dat in 1627 schipper Arent Jansz Welle onder volzeil en voor de wind de haven uitvoer, maar een ‘brouwerswaterschip’ belemmerde dit. Welle kon niet voorkomen dat het roer van het waterschip werd geraakt, terwijl zijn eigen schip lek stootte. Door pompen kon men het schip boven water houden en veilig naar de scheeptimmerwerf brengen.

In een tijd zonder ijskasten was zout het conserveringsmiddel bij uitstek. In zoutketen of zoutziederijen werd zoutwater ingedampt tot zoutkristallen en/of het uit het buitenland aangevoerd zout geraffineerd. Rond de Zuiderzee stonden die ziederijen bijvoorbeeld in Amsterdam aan de Zoutkeetsgracht en in Alkmaar raffineerde men in de achttiende eeuw aan de Schelpenhoek “De Eendracht” zout. Enkhuizen kent nog steeds de straat Zoutketen. Waterschepen voerden het zoute water aan.

Slepen over de droogte
Maar naast de functie als ‘waterdrager’ – dankt het type daaraan zijn naam of juist aan de bun? – is het waterschip toch het meest bekend als sleper van zeeschepen en scheepskamelen. Waar zoet en zout elkaar raken, slaat sediment neer. Ten tijde van de Republiek was dit nergens zo sterk als in de Zuiderzee, waar IJssel, Vecht en IJ in uitmondden. Berucht was de ‘droogte’ Pampus, waar tussen 2,50 en 3,50 meter water stond. Schepen lagen er op ‘een sleepie’ van een waterschip te wachten.

Benieuwd naar de rest van het verhaal?

Spiegel der Zeilvaart 02/2026

Spiegel der Zeilvaart 02/2026

Bestel en lees verder ›