Geef of neem een proefabonnement

Robuust en toch zo sierlijk

Zeeuwse ponen door het oog van de schilder

Dit artikel is gepubliceerd in
Verliefd raken op een verdwenen scheepstype, kan dat? Jazeker, bij vrijwel elke afbeelding van een Zeeuwse poon maakt mijn hart een sprongetje. Wat een kloeke schoonheid: de lijnen staan nergens stil. Kijk naar die vloeiende zeeg, die hoge, prachtige steven. Mijn liefde voor deze schepen is hartstochtelijk.

Meerdere maritieme schrijvers lieten zich in lovende bewoordingen uit over de poon. Neem bijvoorbeeld de bekende theoreticus en ontwerper Folkert Van Loon (1775-1840). In zijn boek over de scheepsbouw uit 1820 beschreef hij de poon als: ‘Een sieraad der Zeeuwsche en Zuid-Hollandsche stromen’. En P. V. J. M. Sopers, die een van de laatste exemplaren kon opmeten en beschrijven in zijn postuum verschenen boek Schepen die verdwijnen, sloot zich bij van Loon aan en voegde eraan toe: ‘… dat deze schepen er [in Zeeland – red.] onder alle omstandigheden thuis behoorden, aanpassend aan alle eigenaardigheden, die aan de vaarwaters daar eigen waren, als zwaar weer, zandbanken, tijstromen, enz. Ze was dus niet slechts fraai uit schildersoogpunt, maar ook uit dat van de practicus.’

En inderdaad, niet alleen schrijvers, maar ook heel wat maritieme schilders bleken te vallen voor de lijnen van deze stoere alleskunner van de delta. Want zo mag je de poon wel omschrijven. Ze waren al eind zeventiende eeuw in gebruik als beurtschip, maar ook als marktschip en vrachtschip voor allerlei soorten zware lading, waarbij de sterke constructie een groot voordeel was. Ze onderhielden in beurtveren het vervoer tussen de steden: van Antwerpen, Middelburg en Goes tot Dordrecht en Rotterdam.

Eigenschappen
Ponen hadden uitstekende zeileigenschappen en konden heel wat wind hebben, waarbij de hoge boeg het water van de golven nauwelijks aan dek liet komen. De meeste waren opmerkelijk breed, de verhouding van lengte tot breedte was ongeveer 3 : 1 en ze hadden een bijzonder breed vlak dat voor en achter sterk opgetrokken werd. Op de waterlijn waren de meeste ponen breder dan ter hoogte van het potdeksel. De grote vormstabiliteit die ze daardoor hadden zorgde ervoor – samen met het hoge vrijboord – dat ze bij toenemende wind lang ongereefd konden doorvaren. Ponen varieerden in lengte van circa 11 tot 15 meter en hadden een waterverplaatsing van 20 tot 60 ton.

Tot de komst van de bouw in ijzer en staal was de poon het meest gebruikte schip in de Zeeuwse, West-Brabantse en Zuid-Hollandse wateren. Ze konden door hun zware constructie prima droogvallen, zelfs onder omstandigheden die bij andere scheepstypen tot schade zou leiden. Er waren vier soorten in de vaart: paviljoenponen, statieponen, statie-paviljoenponen en draai-over-boords. Als beurtschip werden de paviljoenpoon en de statie-paviljoenpoon gebruikt. Er was ruimte voor passagiers in de roef en in het paviljoen in het achterschip. Dat was verhoogd en van ramen voorzien. Door de grote stabiliteit waren het voor de passagiers redelijk comfortabele schepen, ook bij slecht weer.

Benieuwd naar de rest van het verhaal?

Spiegel der Zeilvaart 07/2026

Spiegel der Zeilvaart 07/2026

Bestel en lees verder ›