Het is 1966 en Edwin Wolffensperger is 13, zijn broer Johannes 15 jaar oud als dit verhaal begint. ‘Boven Johannes en mij zitten vijf zussen. Mijn ouders zijn kinderen blijven krijgen tot er een jongen kwam,’ vertelt Edwin Wolffensperger. ‘Ze hadden eerder een zoontje gekregen, maar dat was in de oorlog overleden. Op de schouders van mijn broer Johannes rustten daarom torenhoge verwachtingen – en dat paste niet goed bij zijn onrustige aard.’ Achteraf bezien is het merendeel van de zeven kinderen in het gezin “braaf” te noemen, vindt Edwin. ‘Maar een drietal, waaronder mijn broer, was lastiger in de omgang. Zij hadden nogal eens moeite met gezag, van onze ouders, maar zeker ook buitenshuis. En je voegen naar het gezag werd aan het begin van de jaren zestig toch echt wél verwacht. De meesten van ons waren nogal aanwezig, goed gebekt en behoorlijk intelligent. Dat leidde, zeker bij mijn broer, tot veel wrijving bij ons thuis, maar zeker ook op school. Op het gymnasium was hij weinig gezeglijk en wist-ie het vaak beter. Zijn schoolrapporten waren uitstekend, maar hij heeft heel wat lestijd buiten de klas doorgebracht.’
Vrijgevochten dominee
Nu waren de ouders Wolffensperger bevriend met Joost Matzer, jonkheer van Bloois, schipperspredikant en dominee in de Nederlands Hervormde Kerk in Groningen. ‘Ze dronken graag een glas wijn samen en hij kwam ook geregeld bij ons thuis,’ vertelt Edwin. ‘Hij was een aparte man: hij droeg als dominee manchester werkkleding en had altijd een schipperspet op. Hij voer voor zijn werk op een binnenvaartschip, waarvan het ruim vol stond met gematte stoelen. Op zondag verzorgde hij aan boord een kerkdienst voor de varensgasten van in de buurt liggende binnenvaartschepen, waar hij ook lag.’
Matzer van Bloois was daarnaast een fervent platbodemvaarder en een botenbouwer. ‘Om de lastige verhouding tussen mijn vader en mijn broer wat meer lucht te geven, stelde hij aan mijn moeder voor dat vader en zoon een houten schouw zouden gaan bouwen. Door samen aan een mooi project te werken, zouden die twee wellicht beter met elkaar leren omgaan.’ Vader Wolffensperger had daar wel oren naar – zeker omdat zo’n eigenwijze zoon eigenlijk niets nieuws was in de familie.
‘Mijn vader had als jongen in Zwolle de bijnaam “Smoesjes en Co”,’ vertelt Edwin. ‘Hij bracht meer schooltijd door aan de IJssel dan in de schoolbanken. Mijn grootvader heeft hem op zijn zestiende op het rechte pad gekregen door een half jaar vrij te nemen en samen met hem een stuk aan het ouderlijk huis te bouwen. Met succes – en daarna was er eindelijk ook plek aan tafel voor alle tien kinderen tegelijk. Mijn vader maakte daarna zijn HBS af en ging studeren voor tandarts. De remedie “samen aan een project werken” had dus al eerder zijn vruchten afgeworpen.’
Als tandarts hield vader Wolffensperger praktijk aan huis, dus tussen de bedrijven door een boot bouwen, dat moest lukken. Ervaring had hij weliswaar niet, maar hij was een goede ambachtsman en Matzer van Bloois was bereid om te helpen.
