IJzeren tjotter

De Wylde Bearch (1898) onder zeil

Dit artikel is gepubliceerd in

Het was eigenlijk meer een bezienswaardigheid vanwege de vergankelijkheid van ijzer, het boatsje dat Auke van der Meer regelmatig meenam naar beurzen: het was een-en-al gat. Gelukkig werd op de Stofberg werf zegenrijk werk verricht voor dit vroege voorbeeld van ijzerbouw in de pleziervaart.

In de Nederlandse taal kennen we eigenlijk maar 26 klinkers en medeklinkers. Maar in Nederland zelf zijn er, vanaf het midden van de negentiende eeuw, talloze klinkers en tegenhouders (medeklinkers) bezig geweest om schepen in ijzer, en later in staal te bouwen. Tegenwoordig – na de uitvinding van het lasapparaat – zijn er daar niet veel meer van over, misschien wel minder dan 26!
Zo nu en dan kom je er een tegen. Jan Willem, alias Pils, Stofberg is iemand die bewezen heeft het klinken goed te beheersen. Hij bouwde zijn eigen geklonken Lemsteraak en verrichtte op de Stofbergwerf tal van andere klinkklussen. Toen Laurens Vehmeijer vier jaar geleden bij hem kwam met de vraag of hij de tjotter De Wylde Bearch wilde opknappen volgens de oorspronkelijke bouwwijze, was dat een kolfje naar Pils’ hand. Hij wist wel dat er heel veel aan het scheepje moest gebeuren en waarschuwde de nieuwe eigenaar dan ook dat dit geen gemakkelijke en kleine restauratie zou worden. Pils had het scheepje eerder op de Klassieke Schepenbeurs in Enkhuizen zien liggen, bij scheepsmakelaar Auke van der Meer uit Warten. Het was toen meer een bezienswaardigheid vanwege de ouderdom en de vergankelijkheid van ijzer; het was een-en-al gat, en hoewel de vorm nog redelijk behouden was gebleven (hoewel wat uitgezakt) was het een klein wrak.

Zwaargebouwd
Ook ik had het scheepje daar, en later nog op een andere beurs (Boot Holland) zien liggen. Aan het prachtige snijwerk op de bedel- en hennebalk, alsmede dat op helmhout en roer, was me al opgevallen dat het om een ijzeren tjotter van G.S. van der Werf uit Britswerd, van de werf “Kromwâl” moest gaan. Het was een tweegangstjotter, een zogeheten “boatsje”, met een lengte van 4,70 m, een breedte van 1,70 m, en een diepgang van ongeveer 0,35 m. Zo te zien zwaar gebouwd. Hoewel het duidelijk een plezierbootje en geen werkbootje was geweest, was er geen zeilnummer bekend, maar wel een SSRP-Plaquettenummer: 703. Het bronzen plaatje zat tegen de mastbank geschroefd en was nog goed af te lezen. Een werfplaatje was niet zichtbaar. Auke vertelde me dat het vanwege de werf een bijzonder scheepje was en mijn nieuwsgierigheid was gewekt. Ik ging eens sneupen (snuffelen) in de gegevens van het Stamboek.

Een oude werf
De werf “Kromwâl” was gelegen aan de Franekervaart tussen Franeker en Sneek. Middenin de weilanden van de Greidhoeke ligt het dorp Britswerd met het landelijke gehucht Kromwâl, ver van de drukke wereld, op een voormalige hoge zandige terp. Het dorp lag destijds in het Westergo ten noordwesten van de Middelzee. Deze middeleeuwse zeearm boog vanaf Leeuwarden om het dorp heen naar Bolsward. Door verslijking van de Middelzee veranderde van tijd tot tijd de waterplas in moeras en welig rietgewas, terwijl slinken zich tussen beide door kronkelden. Door de kromming van de daardoor ontstane landtong kreeg het gebied de naam Kromwâl mee.

Benieuwd naar de rest van het verhaal?

Spiegel der Zeilvaart 06/2021

spiegel der zeilvaart 06/2021

Bestel en lees verder ›

© Spiegel der Zeilvaart 2021 | Privacybeleid | Voorwaarden | KVK: 56569599 | BTW: NL001796638837 | Bank: NL54RABO 0326 3406 45

Ontwerp en onderhoud door MKB Watersport