Geef of neem een proefabonnement

‘Eigenlijk best gezellig’

In het zeel tijdens de Mattenschippersrace

Dit artikel is gepubliceerd in
In het laatste weekend van april komen tientallen skûtsjes, tjalken en punters samen in Blokzijl voor de jaarlijkse Mattenschippersrace. Maar wie waren die Mattenschippers eigenlijk, zo vraagt Karen Meirik zich af. Aan boord van de Emanuel uit 1903 probeert ze meer te weten te komen.

De mist hang nog laag als Maik de Emanuel het riet in stuurt. Onder leiding van Maren springen we één voor één aan de wal. Of nou ja, wal? Iets drassigs is het dat er voor door moet gaan. Mijn laarzen zakken tot aan de enkels weg voor ze houvast vinden. Vissen, kikkers en ganzen schrikken op en maken dat ze wegkomen. Ook wij zetten er direct de vaart in, want de jaaglijn moet uitgelopen en zo snel mogelijk strak komen te staan. Het is nog ochtend en we gaan dwars door het oude biezenland, richting Giethoorn. Gisterenavond is bij het schipperspalaver besloten dat we het rondje door de Kop van Overijssel dit jaar met de klok mee afleggen. In Zwartsluis gaan we de “lading” ophalen, een stukje tapijt, ter herinnering aan de mattenschippers uit Blokzijl. Hun verhaal is zo’n voetnoot in de geschiedenis, die je onderaan de pagina in kleine lettertjes uitnodigt om er helemaal in te duiken.

De mattenschippers voeren in de tijd dat elke goede huismoeder in het voorjaar nog de ‘Grote Schoonmaak’ deed. Overal in het land ging in de periode rond Pasen en Pinksteren de vieze, oude vloerbedekking de deur uit. Daar kwamen schone, fris geweven nieuwe matten voor in de plaats, gebracht door kleine tjalkjes uit Blokzijl. Die hele handel was in handen van een paar families; van Den Haag tot Amsterdam en van Nijkerk tot Drachten. Eén daarvan was de mijne, van vaderskant. Trekkend aan de jaaglijn probeer ik me voor te stellen wat voor soort leven dat was. Nu is de Mattenschippersrace voor ons een dagje vermaak, maar hoe was het vroeger, om elke dag te leven aan boord van een mattenschip?

Langs bij opoe
Zo’n schipper deed het werk niet alleen. Het hele gezin leefde aan boord. Daarover wil ik mijn overgrootmoeder, opoe Geertje Bakker, van alles vragen. Voor de wedstrijd ga ik even langs Baarlo, vlakbij Blokzijl. Opoe kreeg tien kinderen aan boord, waarvan er uiteindelijk zes bleven leven. Hoe hield je zo’n groot gezin draaiende, terwijl je moest koken en leven in een kleine roef? Als er onderweg gejaagd moest worden, ging zij dan in het tuigje? Of stond ze juist aan het roer en zwoegde haar man Albert in het zeel? Liepen de kinderen mee, om het alvast te leren?

Ze kan geen antwoord meer geven op deze vragen. Half verscholen in het groen, aan de rand van de kleine begraafplaats van Baarlo, staat alleen een grote, grijze steen. Het graniet is verweerd en begroeid met mos. De tekst valt nog net te ontcijferen. Echtgenote van…, onze lieve moeder… Maar wie was ze? Behalve deze grafsteen, heeft ze weinig tastbaars achtergelaten. Maar misschien is er meer te leren in het heden, dan door te lezen over het verleden…

Ik mag meedoen met de Mattenschippersrace aan boord van de Emanuel, de tjalk van Maik en Maren Overbosch. Gebouwd in 1903, 18,60 m lang en zeker zo mooi in de verf als de mattenschepen van weleer. Dit jaar zijn ze voor het eerst ingedeeld in de zware klasse. Maren en Maik zijn daar erg blij mee, want ze hebben nu eindelijk kans op een mooi resultaat. Als de wind tenminste een beetje doorzet.

Benieuwd naar de rest van het verhaal?

Spiegel der Zeilvaart 03/2026

Spiegel der Zeilvaart 03/2026

Bestel en lees verder ›