‘Toen ik na mijn studie weer thuis kwam op mijn 22ste, merkte ik dat ik de connectie met het maritieme leven een beetje kwijt was. Ik zat op kamers in Amsterdam en hield me met andere dingen bezig, zoals mijn stage bij Amnesty International. De gesprekken die mijn broer Gijs en mijn ouders met elkaar voerden kon ik voor mijn gevoel nauwelijks meer volgen. Korte tijd weer gaan varen na mijn studie leek me goed om even een inhaalslag te maken, waarna ik dan weer andere dingen kon gaan doen. Dat pakte anders uit.
Nu wissel ik het kapiteinschap op de Tecla af met Gijs en dat wil ik blijven doen zolang ik kan. Waarom de zee me trekt is moeilijk uit te leggen. Het zijn de geluksmomenten aan boord die heel intens zijn, zoals met het schip de nacht invaren, of zoals de zeilen die je ziet bollen wanneer je in de Pacific uit de doldrums komt en het schip ineens weer gaat lopen. Of zoals ’s nachts even in je eentje aan dek zijn. Thuis is alles planbaar: als ik naar de bakker wil, stap ik op de fiets en dan ben ik even later bij de bakker; zeker weten. Aan boord denk je: ‘Kom, ik ga eens even de maaltijd voor vanavond voorbereiden’ en dan zit je even later in de machinekamer omdat een pomp moeilijk doet. Dat niet-planbare, het gegeven dat het schip het van je overneemt en haar eigen gang gaat, dat trekt enorm.’
Geschiedenis meedragen
‘Deze schepen werden ooit gebouwd voor een levensduur van ongeveer dertig jaar. Dat ze het veel langer uithouden komt doordat we ermee zijn blijven varen. Nu zijn ze belangrijk cultureel erfgoed en dat geldt zeker voor de Tecla, die een hele geschiedenis met zich meedraagt. De reizen die wij met haar maken, maken daar nu ook deel van uit.
Toen we enkele jaren besloten om de Tecla een nieuw onderwaterschip te geven, hebben we geen moment geaarzeld over hoe we dat moesten aanpakken. Het schip heeft weer een vlak van 10 mm, waarmee ze ook in het ijs haar mannetje staat. En een dubbele bodem met geïntegreerde tanks, een geweldig goede isolatie; als we in de koude gebieden varen is het binnen nu echt heel comfortabel: je merkt nauwelijks meer wat er buiten gebeurt.
We varen met veel dyneema in de tuigage, wat ik een enorme verbetering vind. Maar ook met verlijmde houten masten, een stuk duurder dan staal, maar veel beter passend bij de identiteit van het schip. We hebben ook nieuwe rondhouten, met moderne toepassingen zoals een onderlijkstrekker. En de broodwagen, waarmee het schip nog lang gestuurd werd, is vervangen door hydrauliek. Dat zijn belangrijke innovaties waardoor we het schip beter en langer in de vaart kunnen houden. Wij hebben het schip niet voor onszelf alleen.
Toen het in de jaren zeventig en tachtig weer als zeilschip werd opgebouwd, hadden we ook niet per se een perspectief dat veel verder reikte dan een jaar of tien, maar we zijn alweer bijna een halve eeuw verder en het gaat door. We restaureren ook voor de volgende generatie; dan moet je niet terugschrikken voor innovaties die passen bij het gebruik van nu en later.’
