In de Gouden Eeuw was het personenvervoer over water efficiënt en relatief comfortabel. Trekschuiten, overzetveren en beurtvaarten verzorgden het publieke transport. In waterrijke regio’s bezat de elite een boeier. Welgestelde Zaankanters gebruikten die niet alleen om zich binnen de Zaanstreek te verplaatsen, maar ook om naar Amsterdam te varen of zelfs naar Den Helder, om daar de walvisvloot uit te zwaaien. Ook publieke instellingen – zoals gewestelijke besturen, de Admiraliteitscolleges en steden – maakten voor hun dienstreizen gebruik van luxueuze statenjachten. De superrijken, onder wie de Oranjes, beschikten eveneens over een jacht, naast de hoge heren van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en de West-Indische Compagnie.
Dergelijke schepen dienden niet alleen als vervoermiddel, maar waren ook een uiting van welvaart en macht – net zoals dat tegenwoordig geldt voor de luxejachten van oligarchen.
Over statenjachten zijn we goed geïnformeerd. Van het ‘statenjacht ofte craveel schip’ genaamd Zeeuwse Post, gebouwd in 1642 voor het Admiraliteitscollege Zeeland is een bestek bekend, waarin wordt beschreven: ‘in de cajuit te maken een wenteltrap en daer neven een secreet [plee]’. En we hebben een tekening uit 1746 van de Rotterdamse scheepmaker Pieter van Zwijndrecht voor een jacht van de kamer Rotterdam van de VOC. De tekening diende als basis voor het Utrechtse Statenjacht, dat tussen 1998 en 2003 als replica werd gebouwd.
Staten-Generaal
Op 7 september 1656 besloten de Staten-Generaal tot de bouw van een nieuw jacht. Het bestek is in Rotterdamse voeten van 28,23 cm en het schip zal in de Maasstad zijn gebouwd. Het scheepje was met 58 voet (16,5 m) lengte en 4,5 m breedte bescheiden. Statenjachten van latere datum waren groter. De twee belangrijkste ruimtes waar de hoge heren vertoefden waren de grote kamer (salon) met de eettafel en zitbanken langs de wand waarop werd geslapen én het hoger gelegen paviljoen met grote ramen in het achterschip. Met 2,5 meter waren de ruimtes uitzonderlijk hoog. Ze waren afgetimmerd met fraai wagenschot van eiken (planken uit een kwartiers gezaagde stam). Vanuit de grote kamer ging je met een wenteltrap naar het ruime paviljoen. Naast de wenteltrap lag de plee. Vanuit de grote kamer kon het dek via een trap worden bereikt.
Onder het paviljoen had de kapitein zijn kajuit. Tussen de grote kamer en de mast lag de kombuis. Er was ook ruimte aan boord voor enkele knechten van de heren; in het bemanningsverblijf voor de mast. De piek (het voorschip) was bestemd voor de scheepsbenodigdheden. In het onderschip lagen het water en de victualie.
